• Author:Luk
  • Comments:0

"In de kruitfabriek", Erwin Jans recenseert Bloot of Boerka

dereactor lteraire kritiekDe komst naar Europa van meer dan een miljoen vluchtelingen uit het Midden-Oosten is inmiddels olie op het vuur van het clash of civilisations-denken. Het door Bernard Lewis in een artikel uit 1990 geïntroduceerde en door Samuel Huntington in zijn gelijknamige boek uit 1993 uitgewerkte paradigma van de ‘botsende beschavingen’ – in de populaire receptie gereduceerd tot de botsing tussen het Westen en de islam – is aan het begin van de eenentwintigste eeuw het dominante interpretatiekader geworden. De handtastelijkheden, aanrandingen en diefstallen in Keulen tijdens de nieuwjaarsnacht, gepleegd door Noord-Afrikaanse migranten en een aantal recente asielzoekers uit het Midden-Oosten, zijn onmiddellijk geïnterpreteerd als het bewijs van een onoverbrugbaar cultuurverschil tussen ‘wij’ en ‘zij’. Dat wil zeggen: tussen het Westen en de islam. Het ging niet zomaar om criminele feiten die moeten worden bestraft, maar om een conflict van beschavingen, of beter: van de beschaving tegen de barbarij.

Volgens dat clash of civilisation-denken wordt Europa in zijn identiteit en in zijn voortbestaan ernstig bedreigd. Wat er precies bedreigd wordt – het Westen, de verlichting, de joods-christelijke beschaving, normen en waarden,… – is niet altijd zo duidelijk, maar het zwart-witschema beleeft op dit ogenblik gouden tijden in de politiek en in de media, zowel in zijn meer gesofisticeerde als in zijn ronduit afstotelijke gedaantes. Europa wordt steeds vaker voorgesteld als ‘slachtoffer van’ en zelfs als ‘belegerd door’ de vluchtelingen (dixit de Poolse premier), terwijl de oorlogsmiserie die de oorzaak is van de komst van de meeste vluchtelingen haast wordt vergeten. Wat er gebeurt, is geen vlucht uit de oorlog, maar een invasie van Europa: een aanval op onze sociale zekerheid, onze cultuur, onze vrijheid. Dat iemand als eurocommissaris Frans Timmermans daarenboven beweert –zonder overtuigend bewijs – dat zestig procent van de migranten louter economische vluchtelingen zijn (en dus ‘gelukzoekers’ en geen ‘asielzoekers’), is het trieste bewijs dat dit denkschema tot in de hoogste kringen is doorgedrongen.

Er is op dit ogenblik weinig in Europa zo noodzakelijk als het bekritiseren, deconstrueren en nuanceren van deze haast mechanische tweedeling die als een verhullend kleed over alles heen wordt geworpen en elk ander perspectief – vooral de sociaaleconomische ellende van de clash of civilisations – aan het zicht dreigt te onttrekken. De teksten van Eric Hulsens (1949) zijn een poging tot een dergelijk kritisch commentaar. In Bloot of boerka verzamelt hij een groot aantal essays en columns die hij in de periode 2010-2015 schreef en in hoofdzaak op onlineplatforms als kifkif.be, dewereldmorgen.be en republiekallochtonie.nl publiceerde. De ondertitel – Columns en essays over tolerantie en repressie – benoemt de twee thema’s die samen de ruggengraat van de opstellen vormen. De opstellen zijn samengebracht rond een aantal kernwoorden als laïciteit, islamofobie, onderwijs, Midden-Oosten, holebi, verkrachting en pedofilie.

De verzameling teksten werd afgesloten begin maart 2015. Een analyse van de vluchtelingencrisis valt dus buiten het bereik van deze bundel. Maar de clash of civilisations-ideologie duikt op in vele discussies. De vertrekpunten van de columns en de essays zijn concreet: een nationale of internationale gebeurtenis (het proces tegen Sharia4Belgium of de aanslag op Charlie Hebdo), een krantenartikel (eengedicht van Günter Grass over Israël en Iran in de Süddeutsche Zeitung), een boek (van Paul Cliteur of Etienne Vermeersch). De meeste teksten behandelen wat kan worden samengevat als de vraagstukken van de multiculturele samenleving. Hoe omgaan met diversiteit? Wat met de hoofddoek en de boerka? Met religieuze symbolen? Met gescheiden zwemmen voor moslima’s? Wat met de Mohammed-cartoons? Wat is laïciteit nu precies?

HYSTERIE

Hulsens gaat in discussie met bekende (media)figuren die in Vlaanderen de opinie rond de islam en het Midden-Oosten sterk meebepalen: Etienne Vermeersch, Rudi Vranckx, Paul Cliteur, Dirk Verhofstadt, Benno Barnard, Geert van Istendael, Ayaan Hirsi Ali, Karin Heremans,… Je hoeft het als lezer niet altijd volledig eens te zijn met de mening van Hulsens om zijn discoursanalyses te waarderen. Want dat is wat Hulsens bij uitstek doet: hij haalt de teksten retorisch uit elkaar, weegt argumenten af, staat kritisch stil bij het onproblematische gebruik van termen, plaatst de discussie in een historische, maatschappelijke en culturele context.

De sterkte daarbij is de nuchterheid die Hulsens over het algemeen aan de dag legt. Die nuchterheid vertaalt zich concreet in een historisch besef dat zich zoveel mogelijk aan het korte geheugen van de dagelijkse berichtgeving wil onttrekken. Daardoor vermijdt hij de hysterie en de paranoia die veel hedendaagse debatten kenmerken en meestal in een totale impasse doen belanden. Door zijn brede invalshoek – vaak geïnformeerd vanuit andere dan de mainstreamberichtgeving – is Hulsens in staat om andere voorbeelden ter sprake te brengen en bij momenten ook een ander perspectief op te roepen van waaruit het Westen als de ‘terrorist’ wordt gezien. Vanuit dat perspectief wordt bijvoorbeeld een van de grote helden van de Tweede Wereldoorlog, Winston Churchill, een oorlogsmisdadiger. Hij was immers politiek verantwoordelijk voor de intense bombardementen op Duitse steden (zoals Dresden), met de dood van tienduizenden burgers tot gevolg. Ook Barack Obama krijgt vanwege zijn dronebeleid het etiket van oorlogsmisdadiger opgeplakt.

Je kan het er mee eens zijn of niet, maar Amerika is in de ogen van veel (en niet alleen geradicaliseerde) moslims– een imperialistische militaire macht die veel onschuldige burgers doodt – collateral damage in de zogenaamd legitieme war on terror. Misschien is terreur niet zo eenduidig te omschrijven als we hier in het Westen zouden willen. Als we ons niet kunnen verplaatsen in het perspectief van de Afghaan die vrienden en familieleden verliest bij de zoveelste Amerikaanse droneaanval, dan begrijpen we de wereld maar half.

GEÏSOLEERD

Voor Hulsens is veel van de islamitische terreur een vorm van ‘tegenterreur’, een vergelding voor militaire acties van het Westen tegen moslimmilities in Afrika en het Midden-Oosten. Het Westen moet onder ogen zien dat de islamitische radicalisering in al haar uitingen – van het conservatisme van de moslimbroeders tot het perverse jihadisme van IS – wortels heeft in zijn eigen koloniale en postkoloniale politieke en economische inmenging in het Midden-Oosten. Europa wordt op dit ogenblik geconfronteerd met niet meer of minder dan een terugkeer van zijn eigen geschiedenis, die het gedeeltelijk verdrongen heeft en gedeeltelijk weigert onder ogen te zien (bijvoorbeeld de herverdeling van het Midden-Oosten door de Europese grootmachten na de Eerste Wereldoorlog).

In veel van zijn stukken legt Hulsens de dubbele standaard van het Westen bloot in de inmiddels bijna onoverbrugbare afstand tussen woorden en daden. De mensenrechten worden ingeroepen wanneer dat goed uitkomt (oorlog tegen Irak) en doodgezwegen of geminimaliseerd wanneer dat economisch en geostrategisch beter past (Saoedi-Arabië). De voorbeelden van die dubbele aanpak stapelen zich op. Door de mogelijke aanmaak van een atoombom werd Iran internationaal jarenlang geïsoleerd, terwijl de Israëlische atoombom een publiek geheim is. Volgens de Belgische staatsveiligheid is het salafisme een van de grootste bedreigingen van de westerse democratie, maar dat houdt België niet tegen om wapens uit te voeren naar Saoedie-Arabië, bakermat van het salafisme.

Hulsens wijst daarenboven op het verlies van elke nuance in de discussie. Hij maakt binnen het salafisme een onderscheid tussen de gezagsgetrouwe en met het staatsbestel vervlochten wahabieten in Saoedi-Arabië, de apolitieke vromen en de jihadistische salafisten. Voor Hulsens vormt alleen deze laatste groep een veiligheidsprobleem. Dat onderscheid klopt en is zeker relevant, maar daarmee lijkt Hulsens de kracht van ideologie toch te onderschatten: jihadisme is enkel mogelijk binnen een zeer strikte en radicaal-conservatieve islam, ook al vallen beide stromingen zeker niet samen. Een fundamentalistische islam is niet noodzakelijk gewelddadig, kan zelfs tegen geweld zijn, maar drijft het symbolische geweld (de afbakening tussen gelovigen en ongelovigen, tussen haram en halal, enzovoorts) wel tot een extreem en kritisch punt dat in bepaalde omstandigheden een ideologie kan produceren die geweld rechtvaardigt.

POST-DUTROUX

Het scherpst is Hulsens wanneer hij het Westen in een spiegel laat kijken en aantoont dat in het westerse liberale discours dezelfde intolerante en fundamentalistische toon binnensluipt die het beweert te bestrijden. Soms gaat die ‘spiegeling’ te ver. Zo vergelijkt hij de redacteurs van Charlie Hebdo met ‘personen die in een kruitfabriek het recht opeisen om voetzoekers af te steken.’ Met zo’n vergelijking maakt hij de cartoonisten wel heel erg verantwoordelijk voor hun eigen dood! Hulsens heeft daarentegen gelijk wanneer hij zich vragen stelt bij de bijna ‘heiligverklaring’ van de vermoorde cartoonisten, bij de slechte smaak van veel cartoons (wat niet wil zeggen dat ze verboden moeten worden) en bij de door de overheid en de media geproclameerde eenheid tijdens de grote manifestatie in Parijs naar aanleiding van de Charlie Hebdo-aanslagen.

In de laatste hoofdstukken buigt Hulsens zich over de noties van ‘verkrachting’, ‘pedofilie’ en ‘homoseksualiteit’. Deze teksten lijken op het eerste gezicht wat los te staan van de multiculturele thematiek van de rest van de essays. Toch legt Hulsens ook hier de nadruk op het feit dat deze termen geen ‘essentie’ bevatten, maar historische en culturele constructies zijn. Sekse en de omgang tussen de seksen is een sociale constructie die een eigen geschiedenis heeft:

Er is geen tijdloze essentie van heteroseksualiteit en van zijn tegenpool homoseksualiteit. Die begrippen zijn tijdgebonden sociale constructies die je historisch kan onderzoeken en die je sociologische en antropologisch moet beschrijven.

We kunnen het ons vandaag, in het post-Dutroux tijdperk, moeilijk voorstellen, maar de pedofiel was niet altijd het afschuwelijke monster dat hij nu is. Pedofilie is natuurlijk nooit een algemeen aanvaard seksueel gedrag geweest, maar Hulsens maakt aan de hand van een aantal voorbeelden uit Frankrijk (en hij had ook andere Europese landen kunnen kiezen) duidelijk dat er in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw anders over gedacht werd, zelfs in de mainstreammedia, en dat er zich vanaf de jaren negentig een grote verschuiving in het maatschappelijke discours en de jurisdictie heeft voorgedaan. Ook met deze teksten poogt Hulsens het simpele zwart-witdenken te deconstrueren en te historiseren.

TINTEN GRIJS

Soms is Hulsens heel scherp op een eenvoudige en haast naïeve manier, zoals bij zijn vraag naar aanleiding van de discussie over gemengd zwemmen of ‘gemengd’ hetzelfde is als ‘geëmancipeerd’. Of wanneer hij vraagtekens plaatst bij de apocalyptische retoriek die heerst:

Die aanslagen [Charlie Hebdo] zijn natuurlijk afschuwelijk, maar kunnen ze de Franse, de Belgische, de westerse democratie doen instorten? Hoe dan wel?

Op andere momenten lijkt Hulsens de zwart-witdiscussie enkel op z’n kop te zetten en dan verliest hij aan kritisch potentieel:

Ik maak me niet al te veel zorgen om de conservatieve denkbeelden van een klein groepje als Sharia4Belgium, maar des te meer om die van een mainstreamfiguur als Van Istendael die de leden van een hele wereldgodsdienst over één kam scheert en allemaal dezelfde ideeën toedicht.

Recente terreur heeft duidelijk gemaakt dat kleine groepjes zeer gevaarlijk kunnen zijn. We zullen op alle fronten waakzaam moeten blijven. Hulsens’ ontmanteling van de consensus van het mainstreamdenken is daar alvast een belangrijk onderdeel van.

Een deconstructie van een bepaald discours leidt niet tot een oplossing van het gestelde probleem. Alleen wordt duidelijk gemaakt dat argumenten en begrippen ingebed zijn in een historisch, cultureel en maatschappelijk netwerk en dus geen absolute waarheid bevatten. Door dat besef wordt er binnen de bestaande termen en argumenten wél ruimte gemaakt voor een nieuwe discussie. Als we op dit ogenblik nood hebben aan iets, dan wel aan die ruimte die de zwart-witconsensus openbreekt in de vele tinten grijs daartussen. Want het is daar ergens, en niet in de extremen, dat de blauwdruk ligt voor het toekomstig samenleven.

12 maart 2016

BRON

 

No tags